woensdag 21 november 2012

Bert Jacobs - deel 6: de ziekte

zie hier voor deel 5

...Bert Jacobs: loodzware periode...
Achteraf zou Bert Jacobs toegeven dat hij eigenlijk al een tijdje zichzelf niet meer was. Bij Fortuna Sittard was zijn humeur de laatste maanden niet meer wat het geweest was. Heel gek was dat ook niet: elke dag had Bert immers ontzettend veel pijn. Al jarenlang had hij veel last van zijn kaken. Doorprikken, een antibioticakuur: niets had geholpen. Jacobs had leren leven met de pijnaanvallen, maar in die laatste Sittardse maanden was het wel heel extreem. Zo zou hij achteraf zeggen: “In die tijd vrat ik Finimal als snoepjes.”

De pijn die Jacobs had, had een hevige oorzaak: hij bleek kanker te hebben. Er moest dan ook snel worden ingegrepen. Eind 1986 zou hij geopereerd worden aan zijn kaak. Bij Fortuna stopte hij daardoor per direct als trainer: Jacobs zou logischerwijs veel tijd nodig hebben om terug te kunnen komen. Áls hij überhaupt nog terug kon komen, want het zou een behoorlijk zware ingreep worden. Er werd zelfs gevreesd voor zijn leven.

In het VU in Amsterdam werden de bovenkaak en het gehemelte van Bert weggehaald. Dat gebeurde in drie gecompliceerde operaties, die Jacobs behoorlijk aantastten. Toch was hij al die tijd een meewerkende patiënt die nooit zeurde: Bert had vertrouwen in de mensen die hem behandelden. Jacobs kreeg een prothese aangemeten, die in het begin met ijzerdraad bevestigd zat. Door de ingreep moest hij helemaal opnieuw leren praten en kauwen. Ook in die loodzware periode verloor Jacobs zijn humor niet. Daar lag hij dan, met pijpjes in zijn neus, keel en hals: “Soms stonden er mensen volkomen verslagen aan mijn bed. Ik kon niet praten en dan zeiden die mensen tegen elkaar: verdomme, wat ziet Bertus eruit…dan schreef ik op een briefje: maar ik ben níet doof.”

Beetje bij beetje krabbelde Jacobs weer op, maar inderdaad: wat zag Bertus eruit! Hij was twintig kilo kwijt en zag er jaren ouder uit. Jacobs had door de operatie een ware transformatie ondergaan: zijn gezicht was ingevallen en hij was broodmager geworden. Dat besefte Jacobs zelf ook: “Ik stond wel eens voor de spiegel en dan dacht ik je ziet er toch wel heel anders uit.” Veel kon hem dat zelf niet schelen, zo zou hij achteraf vertellen: “Ik heb me nooit druk gemaakt om m’n uiterlijk, ook niet na m’n ziekte. Ik was al lang blij dat ik nog leefde! Ik begon zelf maar geintjes te maken over hoe ik er uit zag. Een beetje zelfspot is nooit weg om je staande te houden.” Over zijn prothese zou hij later met regelmaat gekscherend vertellen dat waar andere mensen een glas gebruikten om hun kunstgebit in te stoppen, hij een hele emmer nodig had.

Jacobs maakte een zeer moeilijke periode door, maar in zijn achterhoofd bleef hij telkens hopen op een terugkeer in het voetbal. Thuis oefende hij urenlang voor de spiegel met praten, terwijl hij ondertussen denkbeeldige spelers coachte: “Dan riep ik hardop: naar links, naar rechts, aannemen die bal..” Ook ging de in Oirsbeek woonachtige Jacobs elke dag een uur hardlopen op de Brunsummerheide en deed hij veel aan krachttraining.

Bert Jacobs vocht dan wel keihard voor zijn terugkeer, maar hij wilde niets weten van complimenten over zijn manier van omgaan met zijn ziekte: ‘Ik wil geen verhalen horen over die dappere, doorzettende Jacobs. Onzin, je hebt geen andere keuze.”

Enkele maanden na zijn operatie werd Bert Jacobs genezen verklaard en was hij weer helemaal terug. Door zijn ziekte was hij als mens naar eigen zeggen wel veranderd. Jacobs was milder geworden en had leren relativeren. Waar voetbal voorheen alles was, lukte het hem makkelijker zaken los te laten. Toch wilde Jacobs maar al te graag weer iets in het voetbal gaan doen: “Ik hou niet van golf of van boeken lezen, ik hou van voetbal”, zo sprak Jacobs over zijn enorme drive. Zijn eerste klus werd wat scoutingswerk voor PSV. Al snel diende zich een nieuwe werkgever aan, waardoor Bert Jacobs zijn trainersloopbaan nieuw leven in kon blazen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen